30. Blessures

  • door Wim Reckers

Blessures horen bij voetbal, zoals mayonaise bij patat hoort. Er is bijna geen voetballer die op het veld niet geteisterd is door een of ander letsel.

Blessures komen vaker voor bij spelers in de laagste regionen van het voetbal. Ook wel logisch natuurlijk; de fysieke conditie laat te wensen over, er wordt minder getraind en door onkunde wordt aan menig medespeler schade berokkend.

Helpman Vier was daarin geen uitzondering. Sterker nog; door onze levenswijze en onze voorbereiding op fysieke inspanningen vroegen wij als het ware om ellende.

Jarenlang was het de gewoonte dat een groepje met onder meer Jan, Aeilko, Hans, Herman en Wim voorafgaand aan de training een gezamenlijke maaltijd nuttigden. Daarbij ging het niet om inspanningsfysiologisch verantwoorde voeding als zeewier, kikkererwten, of een proteïneshake.

Angstaanjagende stamppotten werden opgedist, of loodzware soepen vol met bonen, aardappelen en spekvet. Afgerond met vervaarlijke toetjes als roomijs met klodders slagroom. Nadat nog koffie met een paar gevulde koeken waren verorberd, kon de martelgang naar het sportcomplex worden aangevangen. Ik herinner me dat Aeilko het doel eens niet haalde; zijn fiets kon het enorme gewicht niet meer dragen en zakte treurig in twee stukken uiteen.

De ene blessure is de andere niet. Welk type blessures vielen ons ten deel?

a. de normale blessure

Enkels. Knieën. Achillespezen. Kuiten. Liezen. Iedereen kent ze wel, het rijtje lichaamsdelen van de voetballer die in zich verhoogde staat van wrakkigheid bevinden. Bij ons was er altijd wel iemand die met een kwetsuur aan het onderstel rondliep. Vaak wisten we niet eens wat er precies aan mankeerde: ‘Ik heb zo’n last van m’n enkel. Denk ik, maar het kan ook m’n hamstring zijn.’

Wat we wel zeker wisten – en met doodsangst in de gaten hielden – was dat het aantal blessures met het klimmen van de jaren exponentieel toenam. Tot het niet meer ging. Het lichaam was op. Wat restte was de meubelboulevard en ponypark Slagharen.

b. de uitzonderlijke blessure

Dan had je de blessures die onvoorstelbaar waren. Die volgens de meest gangbare natuurwetten niet zouden mogen voorkomen. Een paar voorbeelden:

– Jan Nap valt op het rugbyveld bovenop Erik Poortman. Door het gewicht van Jan kraakt er iets in een van Eriks benen. Erik wurmt zich onder Jan vandaan, staat op, voetbalt nog twintig minuten, terwijl zijn onderbeen zich in een hoek van 45 graden tot zijn bovenbeen verhoudt. Dan strompelt hij van het veld, nagejouwd door zijn elftalgenoten: ‘Kom op, man, niet zo kinderachtig!’ Later blijkt dat Erik een gecompliceerde beenbreuk heeft opgelopen. Hij is er nooit meer bovenop gekomen, ook mentaal niet.

– Aeilko en keeper Hessel botsen in ons doelgebied op elkaar, in een uiterste poging een tegendoelpunt te voorkomen. Hessel loopt een gapende hoofdwond op, zijn schedeldak is door de snee zichtbaar. In allerijl wordt Hessel afgevoerd naar het ziekenhuis, voor zijn leven wordt gevreesd. Enige uren later voegt hij zich – getooid met een tulband, zodat hij eruitziet als Saartje van Swiebertje – weer bij ons en bestelt een glas bier en een frikandel speciaal.

– Luppo Poppema krijgt de opdracht om een bal die hoog in een populier achter het doel is blijven hangen naar beneden te halen. Katachtig klimt hij van tak tot tak, tot hij, onder onheilspellend gekraak, in een vrije val naar beneden belandt. Met enkele gebroken ribben en kneuzingen komt Luppo er nog genadig vanaf.

c. het lijdend voorwerp

De naam Jan Nap is al een paar keer gevallen. Met Jan hebben we iemand, wiens lichaam niet voor voetbal is gemaakt. Jan had worstelaar moeten worden, of discuswerper. De proportionele verhoudingen tussen onder- en bovenlichaam kloppen niet. Dat leidde tot een stuwmeer aan blessures, en een jammerlijk maar onvermijdelijk vroegtijdig afscheid van de voetbalsport.

Vergelijkbaar met Jan is Henk Steenge. Ook Henks lichaam zat hem in de weg, zozeer zelfs dat, toen Daan hem op de training liet struikelen, enige minuten later Henks bovenlijf met een doffe klap een gat in het trainingsveld sloeg. Sleutelbeen gebroken. En nu dan? Henk moest maar in het doel, want we konden hem in de kantine niet missen. En daarmee is Henk de enige doelman in onze elftalgeschiedenis die nooit is gepasseerd. Zijn lichaam was domweg te omvangrijk, er kon geen bal meer langs.

Dan was er nog Daniël. Iemand die door z’n techniek en z’n watervlugge bewegingen immuun voor fysiek leed was. Hij was de blessure gewoon te snel af. Vaak leek het alsof hij te grazen was genomen, als hij zichzelf in het vijandelijk strafschopgebied weer eens met een ijselijke doodskreet door het luchtruim katapulteerde. Maar dan wisten wij het al. Geen zorgen, Daan is weer eens op zoek naar een pennel.

d. de blessure-veroorzaker

Vaak ontstaan blessures spontaan, maar soms worden ze ook toegediend. Ook wij hadden ze in het elftal, de mannen bij wiens tegenstanders het iets te vaak kraakte, splinterde of scheurde.

Henk van der Have: in het dagelijks leven acupuncturist en voorvechter van de wereldvrede. In het veld voortdurend in contact met bewegende ledematen. Niet dat Henk een smerige bottenbreker was. Zijn spel had het in zich. Hij wilde die bal, en overzag daarbij de consequenties niet. Voorbeeld: in het Belgische Schellebelle amputeerde Henk met een misplaatste actie het rechterbeen van een Duitse tegenstander. Schuldbewust toog Henk naar de zijlijn, in het volle besef dat de scheidsrechter hem van het veld zou sturen. Die zag echter in dat Henk ondanks alles de verpersoonlijking van liefdadigheid was en sommeerde hem de wedstrijd voort te zetten.

Jan Drewel: Jan was veel te goed voor ons. En had een professionele grondhouding. Verliezen stond niet in zijn woordenboek. Maar ja, dan ben je omringd door tien broddelaars met x-benen en klompvoeten. Wat moet je dan? Volgens Jan zat er maar een ding meer op; de grenzen opzoeken. En er overheen gaan. Dit leidde tot felle protesten bij de tegenstanders, waarop Jan er met zijn kenmerkende schrille kopstemmetje tegenin bracht dat hij er toch ook niks aan kon doen dat zijn tegenstander hem voortdurend de weg naar het doel belemmerde.

e. de blessurebehandeling

Als je eenmaal een blessure hebt opgelopen, wil je er zo snel mogelijk vanaf. Daar bestaan verantwoorde methodes voor, maar die waren aan ons niet besteed. Als de pijn enigszins hanteerbaar was, keerden we terug op de groene weide, getooid met vage braces, of met de enkels volslagen onverantwoord ingezwachteld met duct-tape van de Action. Even een sprintje langs de zijlijn, mmwwaahh, kan wel weer!

Ook blessurepreventie was bij ons een onbekend fenomeen. Termen als rekken en strekken, en cooling down; we hadden er weleens van gehoord, en we deden ook weleens iets van die strekking, maar goed beschouwd sloeg het eigenlijk nergens op. Ja, cooling down, daar waren we wel goed in. Na afloop van een verhit duel togen we met rode konen in de kantine aan onze eigen, alcoholische versie van een cooling down. Maar of dat nou zo goed was voor ons herstellend sportlijf…