28. Rituelen

Door Wim Reckers

Het voetbal is vergeven van rituelen. Voetballers zijn – net als normale mensen – gewoontedieren. Ze hechten aan vaste patronen. Aan rituelen.

Dirk Kuyt kwam moeilijk tot scoren, tot zijn slager hem adviseerde om biefstuk te gaan eten. De ballen vlogen erin. Sindsdien verorberde Kuyt voor de wedstrijd de ene na de andere biefstuk.

Andy van der Meijde wist, als hij een roofvogel zag, zeker dat hij een doelpunt zou maken; John de Wolf sloeg voor de wedstrijd altijd een grensrechter neer (grap); Johan Cruijff spuugde altijd een stuk kauwgom op de helft van de tegenstander (geen grap).

Koffiedrinken bij Frank thuis. Kinderen mee!

Ook Helpman Vier stond bol van de rituelen. Voor elke uitwedstrijd was het de gewoonte om gezamenlijk koffie te drinken. Niet omdat koffie nou zo’n onontbeerlijke vloeistof was – integendeel, de helft van de ploeg stond voor het eerste fluitsignaal gebroederlijk naast het doel de blazen te legen – maar er zat een diepere betekenis achter. Het koffieritueel zorgde voor verbroedering, voor verbondenheid. De woonkamer was van ons, echtgenotes en kinderen mochten zich weliswaar in dezelfde ruimte ophouden, maar slechts in de periferie, zodat ze onze paringsdans niet konden verstoren.

Vervolgens ging het richting sportcomplex en kleedkamer. Daar werd het pas echt een bont rituelencircus. Aldo liet elke zaterdag zijn gewoonteboer, een vervaarlijk knetterend exemplaar, dat het toegestane aantal decibels ruimschoots overschreed. Daarna was het gebruikelijk dat het gehele elftal een diepe buiging maakte, onder het uitspreken van de bezwerende formule: ‘Toronagi San!’

Iedereen had in de kleedkamer z’n eigen rol. Daan gilde z’n sexuele topprestaties in het rond, Thijs Klompmaker putte zich uit in filosofische tegeltjeswijsheden, Japie Boerema somberde over dat we hoe dan ook zouden verliezen, Jan Nap plaatste hier en daar een rake stoot onder de gordel, Rutger probeerde het pandemonium te overstemmen door een opstelling door de ruimte te schreeuwen. Tevergeefs, want eenmaal op het veld was de geijkte vraag: ‘Waar sta ik nou eigenlijk?’

Over opstelling gesproken; een bekend – en gevreesd – ritueel was het tijdslot. Begon de wedstrijd om half drie, dan werd je geacht er uiterlijk om twee uur te zijn. Vijf over twee? Dan klonk het onverbiddelijke: ‘RESERVE!!!’, onder hilarisch gejoel van de elftalgenoten. Smoezen als: ‘Moest nog kattenbakvulling kopen’, of ‘Dacht dat we thuis speelden’ waren zinloos.

De Geldzakboys

Gewoontegetrouw schalde het ‘WAAR IS DE GELDZAKBOYS?!’ door de kleedkamer. De Geldzakboys was een reliek, dat ooit was geschonken door een gulle medespeler. Het was getooid met teksten als: ‘ABN-AMRO; WIJ HELPEN U GRAAG VAN UW GELD AF’, of ‘NOORDERPOORTCOLLEGE; FOOR PERVECT ONDERWEIS’.

Eenmaal op het veld volgden allerlei ingeslepen gebruiken. De keeper moest ingeschoten worden. Niet door de eerste de beste lummel; hiervoor maakte een uitverkoren speler zijn opwachting. Eentje die vier van de tien ballen tussen de palen kon schieten (wat voor de meesten een onoverkomelijke opgave was). Na enkele minuten bemoeiden zich steeds meer medespelers met het inschieten, waardoor vaak meerdere ballen tegelijk op de doelman afgevuurd werden. Totdat die moedeloos uit het doel stapte. ‘Als het zo moet, ga dan zelf maar tussen de palen staan.’

Rekken en strekken

Enkele spelers konden worden waargenomen in een ietwat koddige houding. Leunend tegen een doelpaal, of met een been op de stalen omheiningsbuis. Dit werd ‘rekken en strekken’ genoemd. De functie van deze stijlvorm is nooit helemaal duidelijk geworden, behalve dan dat het leidde tot een verhoogd risico op blessures.

De rest hield zich bezig met lusteloos balletjes naar elkaar overschieten, af en toe vergezeld van cynisch commentaar als: ‘Zo, wat een traptechniek! Wil jij die bal even van de parkeerplaats halen?’

De Derde Helft

Na de wedstrijd was er de zogeheten Derde Helft. Een plechtige hoogmis voor ingewijden. Iedereen wist precies wat hem te doen stond. Speler A haalde de bitterballen en frikandellen, speler B turfde de stemmen inzake de Man of the Match, waarna speler C – de Man of the Match – een paar pitchers bier haalde.

Enige uren later later daalde een grauwsluier van verdorvenheid op het gezelschap neer. Tegenstanders moesten vrezen voor hun veiligheid, met scheidsrechters werden bondjes gesloten, vrouwelijke kantinebezoekers werden met sexueel getinte opmerkingen belaagd en bestuursleden werden smalend tegemoet getreden. Uiteindelijk werd – struikelend over ballennet en voetbaltassen – de weg naar de uitgang gezocht, waarna het slotritueel zijn aanvang kon nemen: een diepe dronkemansslaap tijdens de zaterdagavond-Studio Sport.