- door Frank den Hollander
Toen we met het elftal begonnen, diep in de vorige eeuw, nog bij Oranje Nassau, waren er meteen bij de eerste wedstrijd een stuk of drie, vier jongens die allemaal graag rechtshalf wilden spelen. Onder wie ik.
Ik ben altijd erg onzeker geweest over mijn voetbalkwaliteiten, en het middenveld leek me wel een veilige plek. Als je door een snelle tegenstander voorbij werd gerend, was er altijd nog wel een verdediger achter je.
Dus opteerde ik maar voor de linkshalfpositie. Ik was wel rechtsbenig, maar voor de rest links (als in linkshandig, en politiek). Dus daar moest ik wel uit kunnen komen.
In de loop der decennia kwamen er steeds jongere elftalgenoten, en ik werd er ook niet jonger en sneller op, dus vond ik mezelf op een gegeven moment terug als linksback. Nog steeds was ik geen topvoetballer, maar in de klasse van de onderbond waar wij opereerden, ging het me allemaal redelijk af.
En daar, in de laatste linie van het elftal, heb ik mijn mooiste voetbaljaren beleefd.
Dat kwam niet in de laatste plaats door onze onverschrokken laatste man: Wim Reckers. Inderdaad, de man met wie ik samen deze voetbalmemoires schrijf.
Om met het sportieve aspect te beginnen: van de allereerste tot en met de laatste wedstrijd dat Wim onze laatste man was, was hij de onpasseerbare rots in onze branding. Je dacht: oh jee, dat jochie sprint bij hem weg – en daar zette Wim met een verbeten smoel een sliding in van zo’n 12, 26 meter – altijd op de bal, aanval geblokt.
Dan waren (en zijn!) er Wims vocale kwaliteiten. Met een volume waarbij in de meeste concertzalen de decibelmeters knalrood zouden uitslaan, zet Wim de lijnen neer, geeft hij sturend advies, en pept hij eventuele mentaal inzakkende medespelers weer even flink op.
‘Iemand bij de eerste paal!’
‘We springen mee met onze man, Helpman!’
‘Bewegen! Ik kan de bal nergens kwijt!’
‘Lekker Daantje!’
‘Juist FrankieHol! Steek je leuter in die spits zijn reet!’
(Dat laatste als ik weer eens erg dicht in de rug van mijn tegenstander stond, om hem van het aannemen van de bal af te houden)
(Ik was FrankieHol, want er was nog een Frank: onze keeper Frank Los)
En als ik eens ergens op het veld een passje gaf dat wonderwel strak en accuraat bij een medespeler aankwam, bracht Wim ook mijn achternaam in stelling:
‘GEWELDIGE PASS FRANK DEN HOLLANDER JONGUH!’
De mooiste wedstrijden waren die, waarin we het als verdediging niet erg druk hadden. Onze maten vielen aan, er was een corner aan de overkant, en de verdedigers trokken op naar de middellijn. Daar hadden we vaak alle tijd om even bij te praten.
Er was een periode dat de al even onpasseerbare grote beer Gert van der Wenden met Wim het centrale verdedigersduo vormde. Zodra we gedrieën in de middencirkel stonden, begon Gert tegen mij over de politiek.
‘Wat vond jij nou van die speech van Jesse Klaver?’
‘Denk jij dat de VVD het gaat redden?’
Zelf stemde Gert op het CDA, zodat ik het gesprek al snel verlegde naar zijn enorme tuin.
‘Ben je deze week nog aan het mulchen geweest?’
Vaak stond er bij ons in de middencirkel nog één tegenstander, meestal de piepjonge spits, die wachtte op een onverhoedse uitbraak na onze corner. Wim kon in het bijzijn van zo’n jochie dan uit het niets opeens tegen mij beginnen over literatuur.
‘Ben je al ver in De Slinger van Foucault?’
In combinatie met de politieke praatjes van Gert hadden deze bespiegelingen vaak het effect dat het aanvallertje danig in de war raakte. Waren dit nou gevreesde verdedigers, of psychiatrische patiënten met weekendverlof? Meestal kwam er in zo’n wedstrijd niet veel meer van zo’n kereltje zijn voet. En al helemaal als hij zich, al wachtend op de middellijn, even voorover bukte om zijn scheenbeschermer recht te trekken.
‘Zeg spits’, zei Wim dan tegen het jochie, vriendelijk maar wel zo hard dat iedereen het hoorde, ‘je weet toch wat ze bij ons in het elftal zeggen hè? Gebukt is gepakt!’
Naschrift: Op de tribune bij FC Groningen
Omdat ik in Euroborg een seizoenskaart heb naast Wims zwager Anton, ook veertig jaar onze elftalgenoot, komt het wel eens voor dat Wim zich bij ons in Vak W voegt. Vooral in het seizoen dat zowel Deyovaysio Zeefuik als de Japanse spits Ritsu Doan meededen, gaf dat veel commotie op de tribune – ook hoorbaar tot op de middellijn.
Wim becommentarieerde de activiteiten van het elftal in het Gronings, met zijn gebruikelijke volume. Net als in de tijd dat doelman Luciano bij de FC onder de lat stond, lieten ook deze namen zich goed verGroningsen.
‘Goud kiept, Lucioano!’
‘Wat dust nou, Deyovaaisjo mjong!’
En de arme Ritsu Doan, spreek uit Do-An in goed Japans, werd gewoon aangesproken alsof hij een Groninger was die Daan heette:
‘BESTE BAL DOANE!’